De Nederlandsche Bank publiceerde in maart 2026 de uitkomsten van een themaonderzoek naar de kwaliteit van de Solvency II‑standaardformule[1]. De conclusie lijkt geruststellend. Verzekeraars hebben hun berekeningen over het algemeen technisch op orde. Tegelijkertijd ligt de betekenis van het onderzoek niet in deze constatering alleen. DNB legt in dit rapport nadrukkelijk meer gewicht op de onderbouwing van berekeningen, waarmee zichtbaar wordt dat aannames niet altijd expliciet worden vastgelegd, dat de proportionaliteit van vereenvoudigingen beperkt wordt onderbouwd en dat validatie zich in de praktijk veelal richt op uitkomsten, minder op de keuzes die daaraan voorafgaan. Daarmee verschuift de vraag. Niet langer uitsluitend of de rekensom klopt, maar in toenemende mate hoe deze tot stand komt en wat de uitkomst daadwerkelijk zegt. Dat raakt direct aan het domein van risicomanagement en compliance, waar de nadruk verschuift van controle naar inzicht en explicitering.
De standaardformule is ontworpen om risico’s op uniforme wijze te vertalen naar een kapitaaleis die borgt dat verzekeraars ook onder stress aan hun verplichtingen kunnen voldoen. Die standaardisatie maakt het instrument krachtig voor toezicht: uitkomsten zijn vergelijkbaar en reproduceerbaar.
Tegelijkertijd schuilt daarin een fundamentele spanning. De praktijk van verzekeraars is diverser dan de aannames die in een generiek model besloten liggen. De standaardformule met een kapitaaleis als uitkomst is een vereenvoudigde representatie van risico. Het systeem laat enige ruimte over voor interpretatie. Organisaties maken aannames, passen hun eigen vereenvoudigingen toe en interpreteren regelgeving. Die keuzes zijn noodzakelijk, maar niet neutraal. Zij beïnvloeden in belangrijke mate hoe het risicoprofiel wordt weergegeven. De standaardformule fungeert daarmee als een generieke mal: bruikbaar en noodzakelijk, maar niet altijd passend op de specifieke risico’s van individuele verzekeraars. Juist in aanpassingen die organisaties doen om die mal passend te maken, ontstaat het verschil in uitkomst en inzicht.
Voor toezichthouders ligt hier een duidelijke verwachting: instellingen moeten niet alleen aantonen dat zij de regels volgen, maar ook inzicht geven in hoe hun risicobeeld tot stand komt. De standaardformule fungeert daarmee niet alleen als berekeningsmethodiek, maar ook als onderliggend verhaal over risico.
De kern van het DNB‑onderzoek ligt niet in de berekening zelf, maar in de keuzes die eraan voorafgaan.
Een illustratief voorbeeld is de behandeling van ‘lapse‑risico’. Wanneer een verzekeraar gebruikmaakt van historische data uit een relatief stabiele periode, kan dat leiden tot een lage inschatting van uitstapgedrag onder stress. Binnen de standaardformule resulteert dit in een lagere kapitaaleis. Wanneer dezelfde portefeuille wordt benaderd met aannames die recente marktontwikkelingen of gedragsveranderingen meenemen, kan de uitkomst aanzienlijk hoger uitvallen.
De berekeningssystematiek blijft gelijk, maar het risicobeeld verschuift. Dat maakt zichtbaar dat precisie in de berekening niet automatisch leidt tot een volledig of realistisch beeld.
Het onderscheid tussen vereenvoudigingen en aannames is daarbij wezenlijk. Vereenvoudigingen bewegen zich binnen een expliciet normenkader en raken daarmee primair aan compliance. Aannames bevinden zich meer op het terrein van interpretatie en deskundig oordeel. Juist daar ontstaat ruimte, en daarmee het risico dat keuzes onvoldoende worden geëxpliciteerd en onderbouwd.
Voor risicomanagement betekent dit een verschuiving van controle naar duiding. Niet alleen de vraag of de uitkomst klopt, maar vooral wat deze uitkomst zegt over het onderliggende risicoprofiel. Hiermee worden risicomanagers gevraagd om helder te communiceren en keuzes te beargumenteren met verwijzing naar de missie, visie en strategie van een bedrijf. Wellicht zijn niet alle risico-professionals even geoefend in dit onderdeel van het vakgebied waarbij minder teruggevallen kan worden op de risico-matrix en de letterlijke interpretatie van regelgeving, ofwel de ‘systeemkant’ van risicomanagement en compliance. Echter lijkt deze zachtere, minder concrete ‘menskant’ in verschillende sectoren alleen maar belangrijker te worden. Ook de praktische gids voor risicomanagement vanuit COSO die recent werd gepubliceerd ondersteunt deze conclusie.
De actuariële functie vervult hier een specifieke en verdiepende rol. Waar de eerste lijn de berekening uitvoert en risk de implicaties analyseert, richt de actuariële functie zich op de kwaliteit van de aannames. Niet door opnieuw te rekenen, maar door het expliciteren en wegen van ‘expert judgement’. Juist waar onzekerheid toeneemt en data beperkingen kent, fungeert zij als inhoudelijk ankerpunt dat zichtbaar maakt waar het model zijn grenzen bereikt. Concreet legt de actuariële functie haar oordeel vast in de actuariële functierapportage aan het bestuur met een onderbouwde beoordeling van de toereikendheid van de technische voorzieningen, de kwaliteit van gebruikte data en de houdbaarheid van de gehanteerde aannames, inclusief de afwegingen, alternatieven en gevoeligheden die daarbij een rol hebben gespeeld. Daarmee maakt zij niet alleen de uitkomst, maar ook de redenering erachter toetsbaar voor het bestuur.
In de praktijk ontstaat zo een gelaagd samenspel. De eerste lijn operationaliseert, risk duidt de impact op het risicobeeld, compliance borgt de kaders en de actuariële functie verdiept de beoordeling van aannames en onzekerheden. De kwaliteit van het uiteindelijke beeld ontstaat in de interactie tussen deze perspectieven.
De beweging die DNB zichtbaar maakt, vertaalt zich niet direct in andere modellen, maar wel in een andere invulling van bestaande processen.
In de eerste plaats vraagt dit om een meer expliciete omgang met aannames en expert judgement. De keuzes die zijn gemaakt, de alternatieven die zijn overwogen en de belangrijkste onzekerheden die zijn gesignaleerd worden vastgelegd en in strategische overleggen overgedragen.
Daarnaast verschuift het zwaartepunt in validatie. Naast het toetsen van uitkomsten komt meer nadruk te liggen op het bevragen van de onderliggende redenering. Dit raakt direct aan de rol van risicomanagement, dat daarmee nadrukkelijker betrokken raakt bij de interpretatie van aannames en hun effect op het risicobeeld.
Voor compliance verbreedt het perspectief richting de kwaliteit van het proces. Niet alleen de naleving van regels rondom vereenvoudigingen is relevant, maar ook de uitlegbaarheid, consistentie en herleidbaarheid van gemaakte keuzes.
De actuariële functie neemt hierin een belangrijke positie in doordat zij expert judgement expliciteert en onzekerheden duidt. Daarmee draagt zij bij aan de betrouwbaarheid van het risicobeeld, juist waar het model zelf geen eenduidig antwoord geeft.
Tot slot krijgt de standaardformule meer betekenis in de context van besluitvorming. In samenhang met ORSA, kapitaalbeleid en risicobereidheid wordt zichtbaar in hoeverre de uitkomsten aansluiten bij de feitelijke risico’s – of waar aannames het beeld beïnvloeden.
Het DNB‑onderzoek laat zien dat de technische basis in de sector op orde is. Daarmee verschuift de aandacht van uitvoering naar begrip. De opgave ligt in het expliciteren van keuzes en het duiden van aannames die het risicobeeld vormen. Daarin ontwikkelen de rollen van risicomanagement en compliance zich van controlerend naar verklarend. De actuariële functie voegt hier een essentiële dimensie aan toe door de kwaliteit van expert judgement inzichtelijk te maken.
Gezamenlijk bepalen deze perspectieven niet alleen of de rekensom klopt, maar vooral of het verhaal daarachter standhoudt als het onder druk wordt gezet.
[1] https://www.dnb.nl/nieuws-voor-de-sector/toezicht-2026/aandachtspunten-thema-onderzoek-kwaliteit-berekening-standaardformule/
© Copyright 2014 - 2026 Riskworld | Alle rechten voorbehouden | Privacy en veiligheid | Cookies | Disclaimer | Sitemap