Het artikel van vorige week ging over de naleving van de Wwft, en wat er kan gebeuren als door alle regels en maatregelen het doel uit het oog verloren wordt. Compliance met invloed rust op drie vragen:
Zo eindigde het artikel. Deze week komt een geheel andere casus voor compliance aan de orde.
Burgerschapsonderwijs is een verplicht onderdeel binnen het mbo. Dit betekent dat onderwijsinstellingen hebben te voldoen aan een dossier aan minimumvereisten en voorschriften, maar hoe zorgen docenten en onderwijsmakers dat het burgerschapsonderwijs meer is dan dat?
Het vak burgerschap is ontstaan uit een behoefte om jongeren in het beroepsonderwijs, ongeacht hun eigen achtergrond, persoonlijke idealen of intrinsieke neiging tot maatschappelijke betrokkenheid, fatsoenlijk voor te bereiden op deelname aan de Nederlandse samenleving. “Burgerschap is onmisbaar voor zowel leerlingen als voor de samenleving” aldus de Onderwijsinspectie in haar jaarlijkse rapport ‘De staat van het onderwijs’.
Het belang van burgerschapsonderwijs is in de ogen van de inspectie toegenomen door de invloed van sociale media en de groeiende geopolitieke spanningen. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deelt deze mening: er is in de laatste jaren iets veranderd in de manier waarop jongeren hun plek in de samenleving innemen. De gesignaleerde tekortkomingen van het burgerschapsonderwijs op het mbo leiden nu tot een voorgestelde wijziging van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB)[1]. Het examen burgerschap is vanaf het studiejaar 2026-2027 verplicht op het mbo. Daarmee wordt de eerdere inspanningsverplichting een resultaatsverplichting.
Het gaat hier om een instellingsexamen[2]. Dat betekent dat scholen zelf mogen bepalen hoe ze burgerschapsonderwijs inrichten en welke accenten ze leggen op inhoudelijke thema’s zolang aantoonbaar aandacht wordt besteed aan de nieuwe kwalificatie-eisen.
Om het burgerschapsonderwijs op een betekenisvolle manier vorm te geven, waarbij het nieuwe examen meer is dan een verplichting, moeten scholen een visie hebben en weten wat ze belangrijk vinden. Prof. dr. Arjo Klamer en dr. Maarten Debets, van het Instituut voor Maatschappelijke Relevantie (IvMR), helpen scholen hierbij en hebben een aanpak ontwikkeld om te evalueren of scholen hun ambities waarmaken. Het blijft daarbij goed om helder te hebben hoe de verplichting van het instellingsexamen vertaalt naar de praktijk.
Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) verplicht mbo-instellingen vanaf 2026 om het vak burgerschap te examineren. Er wordt echter niet voorgeschreven hoe dit getoetst moet worden. Dit is een zogeheten open norm. Daarbij blijft de compliancevraag op het niveau van kwaliteitsborging, vergelijkbaar met open normen uit andere sectoren zoals ‘goed bestuur’ in de financiële sector of ‘passende zorg’. De wetswijziging is hierbij ook een gelegenheid om de kwalificatie-eisen van het burgerschapsonderwijs te herijken. De nieuwe kwalificatie-eisen zijn ingedeeld in vier thema’s:
Elk thema wordt volgens een uniforme structuur in componenten opgedeeld om de eisen behapbaar en aantoonbaar te maken. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap streeft ernaar om de wettelijke burgerschapsopdracht en de nieuwe kwalificatie-eisen per 1 augustus 2026 in werking te laten treden. Voor een gedetailleerde uitleg over de nieuwe kwalificatie-eisen kan dit document worden geraadpleegd. Scholen moeten in hun burgerschapsonderwijs aandacht besteden aan deze kwalificatie-eisen en de waarden van de democratische rechtsstaat. Dit moet geëvalueerd kunnen worden door middel van concrete indicatoren, het is dus belangrijk om meetbare doelstellingen te verbinden aan de kwalificatie-eisen om naleving aantoonbaar te maken.
Het Instituut voor Maatschappelijke Relevantie (IvMR) helpt mbo-scholen om de relevantie en impact van het burgerschapsonderwijs inzichtelijk en aantoonbaar te maken door middel van evaluatie.
Een belangrijk aspect van het evaluatietraject is om de bedoeling van het burgerschapsonderwijs helder te krijgen. Daarbij bepaalt het onderzoeksteam samen met de school wat de belangrijkste na te streven waarden zijn (die worden bedoelingen genoemd). Hierbij wordt rekening gehouden met de geldende wet- en regelgeving, maar het is een breder perspectief waarin de school zelf bepaalt waarop zij geëvalueerd wordt. Uit het gepubliceerde onderzoek ‘Sterker uit de startblokken’ bij ROC Friese Poort[3] kwamen vijf bedoelingen naar voren:
Door het vak burgerschap…
Als scholen de bedoeling helder hebben, is het tijd voor de spannende vraag: doen wij het goede of blijft het bij goede bedoelingen?
Bij de open norm levert de toezichthouder een set leidraden aan om te laten zien hoe kan worden voldaan aan de vereisten. Het is daarbij een valkuil om deze leidraden te behandelen als conventionele wettelijke vereisten, waarmee voorbij wordt gegaan aan de bedoeling van de open norm. Daarom is de cruciale volgende stap in het evaluatietraject van het IvMR het operationaliseren van de specifieke bedoelingen van een organisatie in passende indicatoren. In het onderzoek van het IvMR blijven de bedoelingen centraal staan, en worden meerdere databronnen (interviews, focusgroepen, vragenlijstonderzoek, gesprekken met stakeholders) gebruikt om duidelijk te krijgen of de school zijn ambities waarmaakt.
De evaluatie dient twee essentiële doelen. Allereerst maakt het aantoonbaar en inzichtelijk hoe de school het doet ten aanzien van de bedoelingen. Bijvoorbeeld: het burgerschapsonderwijs is effectief op het gebied van kritische denkvaardigheden, maar het is een uitdaging om via het vak burgerschap studenten politiek geëngageerd te krijgen. Ten tweede geeft de methode ook algemene aanbevelingen voor verbetering, bijvoorbeeld over wat een goede burgerschapsdocent doet en kan, of welke werkvormen het meest effectief zijn voor mbo-studenten.
Op basis van de onderzoeksmethodologie en aanbevelingen zien wij drie belangrijke zaken die scholen kunnen meenemen om beter met de open norm om te kunnen gaan. Deze inzichten zijn mogelijk ook relevant voor organisaties uit andere sectoren die met open normen te maken hebben:
Bovendien is dit een methodiek waarbij scholen regie nemen vanuit de eigen visie en onderliggende waarden. Dit geeft docenten én bestuurders houvast om uit te leggen waar het hun om te doen is zowel tegenover studenten, het beroepenveld als de inspectie.
Voor risicomanagers, ook buiten het onderwijs, biedt deze casus een aantal waardevolle lessen. Allereerst laat het zien hoe je met open normen om kunt gaan zonder te vervallen in vrijblijvendheid. In een situatie waarin de ‘wat’-vraag (wetgeving) helder is maar de ‘hoe’-vraag openligt, is het essentieel om samen te bepalen wat de bedoeling is. Alleen dan kun je de juiste indicatoren formuleren, eigenaarschap creëren en richting geven aan gedrag.
Ten tweede toont het onderzoek hoe evaluatie een leerinstrument kan zijn in plaats van een controlemiddel. Door scholen zelf de ruimte te geven om te definiëren wat zij onder goed burgerschap verstaan, ontstaat een gedeeld begrip dat zich beter laat monitoren en bijsturen.
De keuze voor een open examenstructuur betekent dat compliance hier niet plaatsvindt via uniforme toetsing, maar via het verantwoorden van keuzes. Daarmee verschuift de rol van toezicht en kwaliteitsborging: minder checklist, meer gesprek.
Voor risicomanagers is dit geen onbekend terrein. Ook binnen ESG-rapportages, zorgwetgeving of de invulling van zorgplicht in de financiële sector gelden vaak open normen. De uitdaging is telkens: hoe benut je de ruimte die je krijgt en zorg je tegelijk voor heldere kaders en indicatoren? De casus uit het mbo-onderwijs laat zien dat dit mogelijk is door drie factoren te combineren:
Het succes van het burgerschapsonderwijs begint vanzelfsprekend bij de docent in de klas, maar om burgerschap duurzaam te versterken en goed aan te laten sluiten op veranderende wet- en regelgeving is meer nodig. Het onderzoek van het IvMR laat zien dat vooral het organisatiebrede gesprek over de vraag ‘wat vinden we belangrijk?’ hierin bepalend is.
Wanneer scholen gezamenlijk de bedoeling van burgerschapsonderwijs formuleren en periodiek evalueren – vanuit een perspectief van leren en ontwikkelen – ontstaat ruimte voor professionele reflectie en eigenaarschap. Docenten voelen zich gezien en serieus genomen, wat de kwaliteit en impact van het vak versterkt.
Een gedeelde bedoeling biedt concrete handvatten voor bestuurders, teamleiders en docenten. Het maakt zichtbaar en uitlegbaar waarom het onderwijs wordt vormgegeven zoals het wordt, hoe dit past binnen de bredere schoolvisie, en waaraan het voldoet in termen van kwalificatie-eisen.
Precies daarin schuilt de kracht van compliance met impact: het vermogen om beleid te verbinden aan bedoeling, gedrag aan betekenis, en toetsing aan vertrouwen.
[1] https://www.internetconsultatie.nl/burgerschapsopdrachtweb/document/13771
[2] https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2024/04/04/examen-burgerschapsonderwijs-verplicht-voor-mbo-studenten-in-2026
[3] https://www.expertisepuntburgerschap.nl/wp-content/uploads/2022/11/Sterk-uit-de-startblokken-ROC-FP.pdf
© Copyright 2014 - 2026 Riskworld | Alle rechten voorbehouden | Privacy en veiligheid | Cookies | Disclaimer | Sitemap