De VOR als bestuurlijke spiegel
In Een beroep op cultuur, gedrag en transparantie werd de VOR beschreven als meer dan een formele verklaring; het is een uitdrukking van bestuurlijke volwassenheid en vertrouwen in risicomanagement. Bestuurders moeten zich publiekelijk verantwoorden over de vraag of hun organisatie “in control” is en op welke gronden zij dat oordeel baseren.
Dat vraagt om meer dan het verzamelen van assurance-rapportages of het bijwerken van risicoregisters. Het vereist een consistente lijn tussen strategie, risicobereidheid, interne beheersing en rapportage. De VOR functioneert daarmee als spiegel: wat zegt de verklaring over de kwaliteit van de interne sturing op risico’s, over de samenwerking tussen management, controlefuncties en interne audit, en over de wijze waarop de raad van commissarissen hier toezicht op houdt?
De formele verplichting vergroot bovendien de kans op externe toetsing, zowel door accountants als door toezichthouders en aandeelhouders. De VOR wordt daarmee niet alleen een communicatief instrument, maar ook een verantwoordingsdocument met juridische en reputatiegevoelige dimensies.
Van systeemdenken naar gedragsdimensie
In Aan de slag met de VOR werd benadrukt dat implementatie begint bij concretisering: welke risico’s zijn materieel, welke beheersmaatregelen zijn cruciaal en hoe wordt de werking daarvan vastgesteld?
Organisaties zullen hun interne beheersingskaders moeten herijken. Zijn de risicoanalyses actueel? Is de risicobereidheid expliciet vastgelegd? Worden signalen vanuit de eerste lijn daadwerkelijk opgepakt? En in hoeverre is er sprake van een open cultuur waarin dilemma’s en tekortkomingen bespreekbaar zijn?
Juist dat laatste punt wordt relevanter. De VOR kan alleen geloofwaardig zijn als zij niet uitsluitend is gebaseerd op systeemcontrole, maar ook op gedragsmatige factoren. Een cultuur waarin incidenten worden gemeld, twijfels worden gedeeld en tegenkracht wordt gewaardeerd, is essentieel voor een realistische verklaring.
De wettelijke status van de VOR versterkt daarmee het belang van soft controls. Transparantie wordt niet alleen verwacht, maar verondersteld.
Boekjaar 2025 als eerste toetsmoment
De aangepaste verslagleggingsplicht geldt voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2025. Dat betekent dat beursvennootschappen in 2026 voor het eerst zullen rapporteren volgens het nieuwe kader.
Voor veel organisaties betekent dit dat 2025 een overgangsjaar wordt waarin processen, documentatie en governance-structuren worden aangescherpt. Interne audit, riskmanagement en compliance zullen nauwer moeten samenwerken om tot een onderbouwde verklaring te komen. Ook de rol van de raad van commissarissen – met name de auditcommissie – krijgt extra gewicht.
De uitdaging zit daarbij niet alleen in volledigheid, maar vooral in relevantie. Een VOR die alle denkbare risico’s opsomt maar geen prioriteiten stelt, draagt weinig bij aan inzicht. De kracht van de verklaring zit in focus: welke risico’s zijn werkelijk bepalend voor de continuïteit en integriteit van de onderneming?
Wat moet de riskmanager doen?
De wettelijke verankering van de VOR maakt riskmanagement direct onderdeel van de publieke verantwoording van het bestuur. Voor de riskmanager betekent dit een verschuiving van registreren naar positioneren: het wordt cruciaal om vanuit risk bij te gaan dragen aan bestuurlijke keuzes en een goed onderbouwde verklaring. Dat begint bij het expliciet maken van de risicobereidheid en het aanbrengen van focus in de risico’s die werkelijk materieel zijn voor strategie, continuïteit en reputatie. De riskmanager moet vooral een structureringsslag maken in de processen van periodieke effectiviteitsbeoordeling, testing en monitoring en het vastleggen van significante tekortkomingen en bestuurlijke opvolging daarvan.
Daarnaast moet de riskmanager de werking van beheersmaatregelen aantoonbaar maken. Dat vraagt om duidelijke indicatoren, periodieke toetsing en nauwe samenwerking met compliance en interne audit. De riskmanager is hierbij ondersteunend aan de bestuursverantwoordelijkheid en vervult een verbindende rol tussen uitvoering, controle en rapportage.
De VOR raakt echter niet alleen systemen, maar ook gedrag. Worden incidenten gemeld? Is er ruimte voor tegenspraak? Worden signalen uit de organisatie serieus genomen? De riskmanager moet ook deze culturele dimensie meenemen in de onderbouwing van de verklaring. Een verklaring die niet alleen wordt ondertekend maar waar de hele organisatie werkelijk achter staat, omdat het ook een verklaring van de cultuur is, komt des te geloofwaardiger over. Hiermee raakt de verklaring ook sterker verweven met het geïntegreerde risicomanagement in de organisatie, waar de cultuur en strategie het voortouw dienen te nemen. Zo kan de VOR worden ingekaderd als een kans om governance te versterken en niet enkel als extra druk op compliance. Ook voor ondernemingen die buiten de verplichtingen in de code vallen kan de VOR zo gezien worden als een best-practice.
Tot slot is tijdigheid cruciaal. Omdat voor het eerst over boekjaar 2025 volgens het nieuwe kader wordt gerapporteerd, moeten processen en governance-afspraken nu op orde worden gebracht. Een heldere roadmap richting de verslaggeving in 2026 helpt om de VOR als integraal onderdeel van het risicomanagementproces te positioneren.
Een nieuwe fase in Nederlandse governance
De wettelijke verankering van de Corporate Governance Code 2025 markeert een volgende fase in de ontwikkeling van Nederlandse governance. Waar eerder vooral werd gestuurd op transparantie en naleving, verschuift de aandacht nu naar aantoonbare beheersing en expliciete verantwoording.
Voor risicomanagers betekent dit dat hun werk zichtbaarder wordt op bestuursniveau. Voor bestuurders betekent het dat zij niet langer impliciet kunnen vertrouwen op systemen, maar expliciet een standpunt in moeten nemen over de staat van hun organisatie.
De VOR is daarmee een katalysator voor volwassen risicodialoog. De komende jaren zal blijken in hoeverre ondernemingen erin slagen deze verklaring te gebruiken als instrument voor versterking van governance, en niet slechts als verplichte paragraaf in het jaarverslag.
Eén ding is duidelijk: met de wettelijke verankering is de VOR definitief onderdeel geworden van het formele bestuurshandboek van beursvennootschappen. De praktijk zal nu moeten uitwijzen hoe stevig dat fundament werkelijk is.